Niets geleerd van financiële crisis

Nieuwe toezichtstructuur EU helpt niet bij volgende financiële systeemcrisis
Na lang onderhandelen zijn de regeringsleiders van de EU-landen het op 19 juni eens geworden over de nieuwe toezichtstructuur voor de Europese financiële sector. Hun maatregelen zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanbevelingen van de commissie van wijzen onder leiding van de Fransman Jacques de Larosière, waarin ook de Nederlandse ex-minister van Financiën Onno Ruding zitting had.

De Larosière en de zijnen hebben te veel geluisterd naar de wensen van de Duitsers en de Britten, die tegen het overhevelen van verantwoordelijkheden naar Europees niveau waren. Er is te weinig lef getoond. Eerder gaf Onno Ruding zelf al toe dat de aanbeveling om een echte Europese toezichthouder in te stellen in politiek opzicht nog een brug te ver was.

Nationale toezichthouders coördineren nu hun toezicht in drie colleges van toezichthouders voor banken, voor verzekeraars en pensioenfondsen en voor financiële markten, genaamd CEBS (Committee of European Banking Supervisors), Ceiops (Committee of European Insurance and Occupational Pensions Supervisors) en CESR (Committee of European Securities Regulators).

Deze colleges moeten in de toekomst beter gaan samenwerken bij het microprudentiële toezicht op banken, verzekeraars en pensioenfondsen die in verschillende landen actief zijn. Deze colleges van nationale toezichthouders moeten voorlopig samenwerken in het European System of Financial Supervisors (Europees Stelsel van Financieel Toezichthouders), dat weliswaar een ‘coördinerende en sturende groep’ wordt voor het toezicht op de Europese financiële instellingen, maar waarbij regeringsleiders hebben opengelaten of boven deze colleges nog een centrale organisatie moet komen. Uiteindelijk worden deze colleges omgevormd tot autoriteiten, die dwingend kunnen optreden in het geval van meningsverschillen tussen de nationale toezichthouders.

Zowel de huidige colleges als de toekomstige autoriteiten hebben echter geen instrumenten om in te grijpen als het fout gaat, omdat zij niet mogen treden in het autonome begrotingsbeleid van de lidstaten. Het solvabiliteitsinstrument blijft het domein van de individuele lidstaten. Daarnaast is het volstrekt onduidelijk wie de leiding heeft bij deze colleges of autoriteiten. Straks zitten er veertig mensen aan tafel om te praten over één bank, zonder dat iemand het voortouw neemt. Men moet gewoon de toezichthouder van het land waar het hoofdkantoor gevestigd is de leiding geven (lead supervisor). Bijproblemen met bijvoorbeeld ING, om een willekeurig voorbeeld te noemen, moet de Nederlandsche Bank kunnen beslissen. Bij Banco Santander is de Spaanse centrale bank verantwoordelijk.

De Europese instelling voor het macroprudentiële toezicht over het Europese financiële systeem is gelukkig een stuk beter geregeld. Deze zogenoemde European Systemic Risk Board (Europese Systeemrisicoraad) bewaakt de financiële stabiliteit in Europa en moet Europese banken en verzekeraars op de vingers tikken als ze te veel systeemrisico nemen. De Raad wordt indirect bestuurd door de Europese Centrale Bank (ECB), maar vormt formeel geen onderdeel van de ECB.

Omdat de Raad gelieerd is aan de ECB, kan hij ook indirect beschikken over het liquiditeitsinstrument. De Raad bestaat uit de centrale bank-presidenten van alle EU-lidstaten en overlapt daarmee volkomen met de General Council van de ECB. De voorzitter van deze Raad mag de ECB-president zijn, maar hoeft dat niet automatisch te zijn. Het is duidelijk dat de Britten dit een brug te ver vonden.

De vraag is alleen hoe dat macroprudentiële toezicht door de Europese Systeemrisicoraad moet worden gecoördineerd met het microprudentiële toezicht op de afzonderlijke banken, verzekeraars, pensioenfondsen en financiële markten door de huidige colleges als CEBS, Ceiops en CESR of toekomstige toezichtautoriteiten. De Europese regeringsleiders mogen dan wel vol vertrouwen zijn over de nieuwe toezichtstructuur, die het Europese financiële systeem beschermt tegen toekomstige systeemrisico’s, zij hebben geen enkele oplossing gevonden voor het probleem van burden sharing. Dat is het probleem van de precieze wijze waarop de rekening van een deconfiture tussen de landen waarin banken en verzekeraars opereren, gaat worden verdeeld.

Zonder het oplossen van de burden sharing is er geen daadkrachtig Europees toezicht mogelijk. Het is duidelijk dat de regeringsleiders dit probleem voor zich uit geschoven hebben. De kapitaalinjecties en nationalisaties van het afgelopen jaar hebben de lidstaten maar al te duidelijk gemaakt hoe hoog deze rekening kan oplopen. In Nederland is de staatsschuldquote (als percentage van het bruto binnenlands product) hierdoor al met 20 procentpunt opgelopen. Zal de nieuwe Europese toezichtstructuur echt gaan werken? Ik ben bang dat deze toezichtstructuur niet zal helpen bij een systeemcrisis zoals wij die dit jaar hebben meegemaakt. Europa heeft dus helaas niet voldoende van deze crisis geleerd.
– Sylvester Eijffinger
Zie Het Financieele Dagblad van 13 juli 2009