ECB mist bestuurders die in staat zijn hun rug recht te houden

Nu de helft van de ‘oude’ eurozone aan het infuus van de andere helft hangt of dreigt te zullen hangen, zou een toetreding van ‘nieuwe’ eurolanden zoals Tsjechië, Polen, Litouwen, Letland en Denemarken de raad van bestuur van de ECB meer stabiliteitsgeoriënteerd maken.

Het zijn namelijk stuk voor stuk landen met (zeer) lage staatsschulden en gezonde overheidsfinanciën, een traditie van prudent budgettair en fiscaal beleid en bovendien niet wars van hard ingrijpen als het nodig is. Daarmee zouden ze niet alleen de eurogelederen versterken, maar ook de druk opvoeren op de zwakke schakels in de eurozone om echt werk te maken van hervormingen.

Nieuwkomer Estland zette begin dit jaar al de toon. Deze 17de lidstaat van de eurozone vindt inflatie bestrijden – en voorkomen – veel belangrijker dan de economische groei op de korte termijn kunstmatig oppeppen. Dat hebben de Esten in de huidige crisis ook laten zien. De economie kromp met bijna 14% in 2010. Dat leverde een tekort op de begroting, iets wat redelijk ongewoon is voor de ‘Baltische Tijger’. De centrale bank drukte echter geen geld bij om het leven makkelijker te maken. De overheid leende geen grote bedragen op de financiële markten, terwijl daar met een staatsschuld van iets meer dan 7% van het bruto binnenlands product meer dan genoeg ruimte voor bestond. In plaats van dat alles trok de overheid de broekriem aan. Inmiddels is de economische groei er teruggekeerd en zijn de overheidsfinanciën hersteld.

De president van iedere centrale bank uit de eurozone is lid van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB). Meteen klonk in de ECB begin dit jaar het Estse anti-inflatieverhaal door. En in een recent opinieartikel in een Estse krant stelde Andres Lipstok, de president van de Estse centrale bank, dat de kans dat de inflatie in de eurozone structureel hoger komt te liggen is toegenomen. De opwaartse druk op de inflatie duurt ‘irritant lang en er is niets dat erop wijst dat de druk zal afnemen’.

Zeker nu de Europese ministers van financiën en regeringsleiders nog steeds falen in hun pogingen de problemen van de muntunie op een structurele wijze op te lossen, kan het de redding van de eurozone zijn dat het bestuur van de ECB nog meer bestuurders zoals Lipstok krijgt. Dat kan alleen maar als meer stabiliteitsgeoriënteerde Europese landen de euro invoeren.

Tweede voordeel is dat de ECB behoorlijk wat nieuwe bestuurders zou krijgen die de wil hebben en in staat zijn hun rug recht te houden ten opzichte van politici. Dat kan de bank goed gebruiken. Met het vooruitzicht op jarenlange lage economische groei in de eurozone en daardoor steeds meer landen die in problemen zullen komen, zal de politieke druk op de ECB immers de komende jaren fors stijgen en de onafhankelijkheid in gevaar brengen.

Natuurlijk zal een meerderheid van de huidige zwakke eurolanden toetreding van sterke eurolanden voorlopig proberen tegen te houden. België, Frankrijk, Griekenland, Italië, Portugal en Spanje zijn terecht bang dat binnen de eurozone de groep van stabiliteitsgeoriënteerde landen in dat geval zo groot zou worden dat zij nog meer onder druk komen en sneller sancties opgelegd krijgen.

Maar sterke eurolanden zoals Nederland, Duitsland en Finland hebben er belang bij om een tweede ‘big bang’ van de eurozone af te dwingen. Misschien moet dat een van de belangrijkste eisen worden bij onderhandelingen over verdere tijdelijke noodhulp, een goedkeuring van de nieuwe meerjarenbegroting van de EU en de benoeming van een stabiliteitsgeoriënteerde opvolger van de huidige ECB-president Jean-Claude Trichet.

En het argument dat Polen en andere landen niet voldoen aan alle convergentiecriteria? Intussen weet iedereen dat de toepassing van die convergentiecriteria altijd een wassen neus is geweest en dat de euro in de eerste plaats een politiek project is. Griekenland en Italië voldeden toentertijd nauwelijks aan de voorwaarden maar mochten wel meedoen. Daarnaast moet ook beseft worden dat de ‘nieuwe’ eurolanden in het algemeen snelgroeiende economieën zijn en door hun inhaalslag altijd een hogere inflatie dan de ‘oude’ eurolanden zullen kennen.

Blijft nog één obstakel over, namelijk of de genoemde landen uit Centraal- en Oost-Europa de toetreding tot de eurozone wel zien zitten. De populariteit van de munt kalft daar ook af. De schade is echter nu nog beperkt gebleven, getuige de recente toetreding van Estland. Maar dan moeten Nederland, Duitsland en Finland wel snel schakelen. Angela Merkel heeft zich een voorstander getoond. Het zou goed zijn als Mark Rutte haar daarin zou steunen.

Prof. dr. Sylvester Eijffinger
Drs. Edin Mujagic

Prof. dr. Sylvester Eijffinger is hoogleraar financiële economie aan de Universiteit van Tilburg en lid van het Monetaire Experts Panel van het Europees Parlement. Drs. Edin Mujagic is monetair econoom bij ECR Research en bij de Universiteit van Tilburg.

Copyright (c) 2011 Het Financieele Dagblad