Sylvester@Harvard Weekboek 4

Deze week belicht ik onder andere ‘real world problems’ waarmee economen zich bezighouden, de mogelijke opvolging van Ben Bernanke en de toelating van buitenlandse studenten tot Harvard.

MAANDAG 1 APRIL 2013
Gistermiddag aangekomen op Boston Logan Airport voor mijn tweede periode van drie weken bij het Harvard Economics Department. Vandaag op Tweede Paasdag is het eindelijk lente geworden, maar is iedereen hier gewoon aan het werk. Tweede Paasdag is een typisch Nederlands fenomeen en zorgt ervoor dat ons land kampioen in het aantal vrije dagen is. Vanochtend heb ik zonder interrupties aan mijn boek kunnen werken.
Om half twaalf ga ik op uitnodiging van Jeff Frankel naar de Harvard Kennedy School (HKS) voor het Economic Policy Seminar. Elke maandag is er op de HKS een seminar over een economisch thema met beleidsaspecten. Dit keer gaat het over de optimale reële wisselkoersen in opkomende economieën, die door het catching-up proces (inhaalslag) waarin zij zich bevinden geconfronteerd worden met een aanpassing van hun effectieve reële wisselkoers (dus de nominale wisselkoers gecorrigeerd voor de inflatieverschillen met handelspartners). Inmiddels wijs geworden door de vele valutacrises waarmee de opkomende landen te maken hebben gehad, hebben de landen omvangrijke internationale reserves opgebouwd als buffers tegen tijdelijke en permanente schokken en proberen zij deze reële wisselkoers (ruilvoet) geleidelijk aan te passen aan hun ontwikkelingsfase.
Rondom de tafel zat het neusje van de zalm van de Kennedy School: Ricardo Hausmann (Director, Center for International Development), Jeff Frankel en Carmen Reinhart (bekend van haar boek met Ken Rogoff over de valutacrises). Het was een zeer levendige en inhoudelijke discussie met collega’s die niet alleen de literatuur op hun duimpje kennen, maar ook gepokt en gemazeld zijn in de beleidspraktijk. Ricardo is bijvoorbeeld de minister van Planning in Venezuela geweest en ook een belangrijke adviseur van het IMF en de Wereldbank. Dat geldt ook voor de anderen en maakt een seminar echt interessant en relevant: een academische discussie die over ‘real world problems’ gaat en niet over ‘non-issues’ zoals dat in Nederland helaas vaak het geval is.
Wetenschappelijk onderzoek moet voor mij aan twee eisen voldoen, namelijk zowel aan ‘rigor’ als ‘relevance’. Meestal wordt gedacht dat er een afruil is tussen ‘rigor’ en ‘relevance’, maar dat komt omdat onderzoekers maar een van beide aspecten beheersen en zij niet beiden kunnen combineren door hun gebrek aan kennis. Het is juist de bedoeling om de rigor-relevance curve uit te schuiven, waarbij de theoretische en/of empirische analyse aan de hoogste wetenschappelijke criteria voldoen, maar tegelijkertijd ook beleidsrelevant moet zijn.

DINSDAG 2 APRIL 2013
Vandaag de Faculty Lunch (met rosbief, zalm en salades) waarbij het centrale thema de selectie (‘admissions’) van de graduate students was. De selectie vindt op woensdag en donderdag plaats op een zorgvuldig wijze door een comité van junior en senior faculty members. De voorselectie heeft inmiddels al plaatsgevonden op basis van GRE-toetsen en de aanbevelingsbrieven van de professoren bij wie de studenten afgestudeerd zijn. De aanbevelingsbrieven zijn het allerbelangrijkste en worden gewogen naar de reputatie van de professoren.
Zo hoort dat ook. Zelf krijg ik elk jaar een aantal master studenten die op het punt staan af te studeren en naar Harvard of MIT willen om daar te gaan promoveren. Zij denken vaak allen dat zij briljant zijn, maar in de praktijk valt dat nogal tegen als je naar hun cijfers kijkt. Ik ben altijd zeer terughoudend bij het schrijven van aanbevelingsbrieven, omdat mijn reputatie bij mijn Harvard en MIT collega’s vanzelfsprekend in geding is. De minimale voorwaarde is dat de student bij mij afgestudeerd is. Daarnaast moet er voor mij sprake van excellentie. Ik weet dat mijn aanbevelingsbrief doorslaggevend kan zijn, maar daarom dien ik ook heel zorgvuldig te zijn.
Er worden van de 700 kandidaten die zich dit jaar hebben aangemeld, maar 30 studenten (dus minder dan 5 procent) toegelaten tot het Graduate Program van het Harvard Economics Department. De meeste studenten komen uit de VS of het VK, maar een toenemend aantal komt uit Azië (ongeveer 30 procent) en dan vooral uit China.De meeste Aziaten hebben trouwens wel bij een topschool in de VS gestudeerd. De Europese studenten zijn dit jaar nauwelijks vertegenwoordigd onder de geselecteerden. De vraag is of dit een goed of slecht teken is voor onze topuniversiteiten? In het verleden heeft Tilburg University, net als Bocconi University en London School of Economics, regelmatig een topstudent van dat jaar in het Harvard of MIT Graduate Program kunnen plaatsen, maar dat schijnt nu verleden tijd te zijn. De graduate studenten betalen voor hun opleiding $ 28.000 ‘tuition fee’ (en bij het armere MIT zelfs $ 33.000), maar hebben meestal beurzen van de National Science Foundation (NSF) en/of andere sponsoren. Bovendien kunnen zij ook bijverdienen als Teaching Assistant (TA) bij een grote cursus als EC10 of als Research Assistant bij het onderzoek van een senior faculty member. Dat betekent dat de graduate studenten eigenlijk voor hun opleiding betalen en dus investeren in hun eigen menselijk kapitaal. Bij ons hebben de PhD students (AIO’s) nog steeds de luxe dat na zij hun Research Master van twee jaren in de laatste drie jaren een bescheiden salaris ontvangen. De vraag is hoe lang deze situatie nog blijft voortbestaan.

WOENSDAG 3 APRIL 2013
Vanochtend weer aan mijn boek gewerkt en daarna een lunch met een van de slimste collega’s die hier op het Economics Department rondloopt, Andrei Shleifer. Andrei is begin vijftig, maar nu al een legende, heeft een indrukwekkende publicatielijst en wordt overal ter wereld om advies gevraagd. Een Nobelprijs zit er zeker in. Ik wil met Andrei spreken over mijn nieuwe paper over de afruil tussen monetaire en financiële stabiliteit en hij wil vooral mijn visie op de eurocrisis hebben vanuit mijn ervaring als lid van het EP Monetair Experts Panel. Andrei komt mij ophalen voor een lunch in een Italiaans restaurant hier vlak om de hoek aan Harvard Square. Tot mijn verrassing is hij gekleed in pak met stropdas. Ik vraag hem of dat vanwege de graduate students is. Hij antwoordt dat zij dat ongetwijfeld zullen denken, maar dat de echte reden is dat hij vanavond een diner heeft met Tim Geithner (voormalig minister van Financiën), een goede vriend die vanavond even langs komt. Dat is wat Marty Feldstein altijd de ‘the magic of Harvard’ placht te noemen. Je hoeft hier nergens heen, want iedereen komt toch langs, omdat zij het als een eer beschouwen om even bij Harvard langs te zijn geweest.
Na een uitgebreide uitleg door mij van de ‘case of Cyprus’ en de rol van onze minister van Financiën en de ECB daarin (waarmee ik de lezer niet zal vermoeien) komen wij te spreken over mijn favoriete onderwerp van dit moment, namelijk de financiële repressie. Andrei vraagt mij hoe lang de financiële repressie nog gaat duren en ik antwoord ten minste nog 5 jaar en misschien zelfs wel 10 jaar. Ik licht toe dat de periode van ‘monetary dominance’ (centrale bankonafhanklijkheid) echt voorbij is –behalve wellicht in het geval van de ECB – en dat de periode van ‘fiscal dominance’ reeds jaren geleden is aangebroken en dat de politici volledige controle over de centrale bank nastreven. Andrei concludeert dat dit ook de enige manier is voor de overheden in de VS, het VK en Europa om de schuldencrisis op te lossen bij een bescheiden groei en een nog bescheidener leiderschap. Ten slotte filosoferen wij over de mogelijke opvolging van Ben Bernanke als Chairman van de Federal Reserve System. Volgens Andrei heeft Ben het echt wel gezien na 8 tropenjaren en wil hij begin 2014 er echt mee ophouden. De mogelijke opvolgers passeren de revue, waarbij Tim Geithner de grootste kans heeft als hij de post wil. Vice-Chair Janet Yellen is inmiddels eind zestig en is niet populair bij de staf van de Federal Reserve en onze collega Larry Summers, die natuurlijk de slimste is, roept bij Congress vooral gemengde gevoelens op.

DONDERDAG 4 APRIL 2013
Vanmiddag om 12.30 uur een lunch met mijn collega en vriend Lucas Papademos, die op dit moment colleges geeft aan de Harvard Kennedy School over ‘central banking and monetary policy’. Lucas was niet alleen Vice-President van de ECB gedurende 8 jaar maar ook recentelijk premier van Griekenland in een zakenkabinet dat de onderhandelingen met de Troika (ECB, EC en IMF) voerde over de bezuinigingen en hervormingen die dat land opgelegd kreeg voor de noodhulp door andere eurolanden. Het had inderdaad heel weinig gescheeld of Griekenland was geen deel van de eurozone geweest. Ik denk dat het vooral de verdienste van Papademos is geweest dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, omdat Lucas het vertrouwen van de ECB en Europese Commissie had en tegelijkertijd als “technocraat” niet een onderdeel was van de politieke spelletjes tussen de partijen.
Mijn respect voor hem is zeer groot. Hij is een intellectueel ‘powerhouse’ (met PhD van MIT), ‘softly speaking’ en een bescheiden man die weinig weerstand oproept. Hij is ook nog getrouwd met een Nederlandse vrouw. Waarom zijn er in Europa zo weinig politici van het kaliber van Papademos en Monti? Het lijkt er steeds meer op dat niet ‘the best of the nation’ in de politiek actief zijn, maar ‘the worst of the nation’. Dat komt omdat mensen uit het bedrijfsleven, het openbaar bestuur of de wetenschap geen ambitie en belangstelling hebben voor het politieke ambt omdat de afbreuk- en reputatierisico’s zo enorm zijn en de politieke levenscysclus zo beperkt. Lucas en ik hebben elkaar sinds zijn afscheid als Vice-President van de ECB niet meer gesproken en hebben heel wat bij te praten over de eurocrisis, Griekenland en Cyprus. Veel van wat besproken is, leent zich helaas vanwege de vertrouwelijkheid niet voor een bespreking in dit weekboek maar was zeker de moeite waard.

VRIJDAG 5 APRIL 2013
Vanochtend mijn vierde weekboek gemaakt voor mijn trouwe lezers op ScienceGuide.nl en mijn weblog (www.sylvestereijffinger.com). Mijn webmaster Raymond Peil informeerde mij zojuist dat het weblog de grens van 200.000 bezoekers per maand ruim gepasseerd is en dat er op de dagen dat mijn weekboek verschijnt 10.000 tot 15.000 bezoekers alleen al voor het weekboek zijn. Vanzelfsprekend ben ik heel erg dankbaar voor deze grote belangstelling voor mijn weekboek. Dat geldt evenzeer voor de vele positieve reacties ik die afgelopen weken mocht ontvangen via mijn Twitter-account (@SCWEijffinger) of per email. Het geeft voor mij aan dat er bij het hoger onderwijs en onderzoek in Nederland veel interesse bestaat voor hoe “every day life goes at Harvard”. Hoewel de dynamiek van het universitaire leven hier bij Harvard niet te vergelijken is met dat aan de gemiddelde Nederlandse universiteit, die toch vaak geregeerd wordt door de bureaucratie, geeft het toch hoop dat onze universiteiten zich spiegelen aan hun Amerikaanse grote zusters.

Dit bericht is geplaatst in Harvard, Sylvester. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *