Nederland heeft getekend voor een sterke euro

Het delen van één gemeenschappelijke munt betekent niet dat we voor elkaars problemen zullen opdraaien. Als een euroland in financiële problemen komt, dan moet dat zelf maar die problemen oplossen. Zo sterk was die belofte van de Europese leiders in de jaren negentig van de vorige eeuw, dat die vastgelegd werd in het Verdrag van Maastricht in het zogeheten no bail-out artikel.

De Europese Centrale Bank (ECB) zou het rentebeleid afstemmen op de behoeften van de eurozone als geheel en niet van één of enkele landen. Ook zou de ECB geen staatsobligaties van de eurolanden gaan kopen, want dat zou monetaire financiering zijn van schulden, wat de deur naar hogere inflatie wijd openzet.

Sinds afgelopen zondag 9 mei zijn al die beloftes verbroken. Europa gaat een fonds klaarmaken van euro 500 mrd om de zwakke eurolanden nu en in de toekomst te steunen. Het pakket is zodanig ingekleed dat het juridisch geen bail-out is. Maar als het eruit ziet als een bail-out en zich gedraagt als een bail-out, dan zal het wel een bail-out zijn. En dat is het ook.

Dat sommige van die beloften zijn verbroken, is niet eens zo erg. Eén munt in Europa is goed voor onze welvaart en als een deel van de beloften uit de jaren negentig verbroken moet worden om de euro te redden, het zij zo. Dat die beloftes verbroken zijn, toont bovendien aan dat bij de invoering van de euro grote fouten zijn gemaakt door toen al niet zoiets op te zetten.

Bij de invoering van de gemeenschappelijke munt was ook duidelijk dat een muntunie op den duur niet kan overleven zonder zo’n mechanisme voor steun in moeilijke tijden. Europa dacht met het Stabiliteits- en Groeipact die anomalie te hebben gedicht, maar dat bleek ijdele hoop te zijn geweest. Bijna niemand hield zich aan die afspraken, zo leert de afgelopen periode.

Om de euro te redden mogen veel beloften uit de jaren negentig verbroken worden. Maar dat geldt niet voor álle beloften. Aan zeker één mag niet getornd worden, omdat de prijs voor het redden van de euro, hoe goed één gemeenschappelijke munt in Europa ook is, dan te hoog zou zijn. Het gaat om de belofte dat de euro minstens net zo stabiel zal zijn als de gulden en de D-mark waren, wat niets anders betekent dan dat de inflatie laag zal zijn.

Dát gevaar is, na de afspraken van zondag 9 mei, groter geworden. Europa was er op die dag als de kippen bij om te melden dat de ECB staatsobligaties van landen die in problemen zitten of in problemen gaan komen, in de nabije toekomst zal gaan opkopen. Dat is al erg genoeg. Maar nog veel erger is wat toen niet is gezegd dat de ECB wel zal gaan doen.

Het échte probleem van de Club Med, de zuidelijke eurolanden, is dat de lonen daar sinds de komst van de euro te hard zijn gestegen vergeleken met de stijging van de arbeidsproductiviteit in die landen. Daardoor is hun concurrentiepositie verzwakt. De enige oplossing is om dat ongedaan te maken. Dus moeten de lonen in die landen jarenlang heel langzaam toenemen of zelfs dalen.

Dat op zichzelf zou al snel tot deflatie in die landen leiden. Daar verschijnt de ECB op het toneel. Die kan met een langdurig te lage rente deflatie voorkomen. De ECB zal de rente langdurig laag houden om te voorkomen dat die landen opdrogen. Het probleem is alleen dat de centrale bank in een muntunie niet één regio nat kan houden zonder gevolgen voor de rest. Nathouden van de Club Med met een langdurig lage rente zal een overstroming in onder meer Nederland betekenen, in de zin dat de inflatie zal oplopen.

Dát is niet waar een land als Nederland voor getekend heeft. Immers, de euro zou net zo sterk zijn als de gulden en de Duitse mark ervoor. Nog meer onvrede met de euro in onder meer Duitsland en Nederland zal het waarschijnlijke gevolg zijn.

De euro zal dan weinig steun genieten in het zuiden van Europa omdat die de schuld van hun ellende aan de euro zullen toeschrijven. In het noorden zal men zich belazerd voelen, want de euro dreigt meer op een peseta of drachme te lijken dan op de gulden of de mark.

Het eindresultaat van de op 9 mei aangekondigde maatregelen kan dan heel makkelijk zijn dat het niets of heel weinig oplost, maar dat de onafhankelijkheid van de ECB blijvend beschadigd is geraakt en de eurozone zich kan opmaken voor een nog hogere inflatie dan eerder gedacht.

Met de afspraken van 9 mei spelen de Europese leiders met het toch al broze draagvlak van de euro. En dat op 9 mei, nota bene de Dag van Europa. Het is niet te hopen dat we over enkele jaren de Dag van Europa uit 2010 zullen zien als het begin van het einde van de muntunie.

– Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic
Zie Het Financieele Dagblad van 15 mei 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *