Nachtmerriescenario van torenhoge inflatie ontvouwt zich

Onafhankelijk binnen de regering, zo wordt de positie van de Amerikaanse centrale bank, de Fed, wel omschreven. Dat is moeilijk te begrijpen. Immers, een centrale bank is óf helemaal onafhankelijk van de regering óf niet, er is geen tussenweg.

In dat bijzondere geval van de Fed betekent dit dat de persoonlijkheid van de voorzitter heel belangrijk was en is voor de positie van de centrale bank. Paul Volcker was in de jaren tachtig een onafhankelijke voorzitter. Zijn opvolger Alan Greenspan liet zijn oren daarentegen meer naar Wall Street hangen.

Ben Bernanke, de huidige voorzitter van de Fed, lijkt zijn onafhankelijkheid geheel te hebben verspeeld. In de afgelopen twee jaren, sinds de val van Lehman Brothers, hebben Bernanke en de zijnen de beleidsrente in een ongekend tempo verlaagd tot bijna nul procent.

Onder invloed van de naderende presidentsverkiezingen, twee jaar geleden, wachtte Bernanke niet af wat de effecten van de al doorgevoerde renteverlagingen waren. Bernanke had immers haast, mede gezien zijn gewenste herbenoeming als voorzitter. Daarmee was de Amerikaanse centrale bank in een positie gekomen, waarin zij wel werd gedwongen haar toevlucht te nemen tot onorthodoxe maatregelen, zoals kwantitatieve verruiming, het tijdelijk opkopen van overheidsobligaties, en het bespelen van het kredietkanaal, alsof er nog sprake is van gesegmenteerde kredietmarkten.

Ondertussen is bekend dat het effect van deze onorthodoxe maatregelen vrijwel nihil is. En toch gaat de Fed ermee door, omdat de Amerikaanse overheid dat wil. Zelf is die overheid niet in staat te stimuleren door de hoge tekorten. Het eindresultaat zal een drie- of viervoudige opgeblazen balans van de Fed zijn, met alle gevolgen van dien voor de inflatie in de komende jaren.

Vooral de Angelsaksische bankiers en economen beweren dat deze overliquiditeit snel genoeg door de centrale bank kan worden geabsorbeerd. Technisch is dit inderdaad het geval, maar politiek lijkt dit zeer onwaarschijnlijk. Wanneer een centrale bank dat probeert te doen zal die al gauw ervan beschuldigd worden het economisch herstel in de kiem te smoren.

Centrale bankiers zijn als gevolg van hun aversie risico te nemen geneigd te lang te wachten met noodzakelijke renteverhogingen. Daardoor lopen centrale banken meestal achter: zij gaan pas over tot restrictief monetair beleid als de opgelopen inflatieverwachtingen reeds zijn gerealiseerd. In de Verenigde Staten is er inmiddels zo’n overliquiditeit gecreëerd, dat het gevaar van vijf of zes procent inflatie op jaarbasis levensgroot aanwezig is.

De onafhankelijkheid van de centrale banken kent drie pijlers: politieke, financiële en persoonlijke onafhankelijkheid. In het geval van de Fed lijkt de politieke onafhankelijkheid verloren te zijn gegaan. Nu de Fed steeds meer Amerikaanse staatsobligaties koopt en in de toekomst misschien zelfs het tekort van de Amerikaanse overheid monetair gaat financieren, is ook de financiële onafhankelijkheid ver te zoeken. Fed-voorzitter Ben Bernanke heeft zijn persoonlijke onafhankelijkheid reeds verloren.

Omdat president Barack Obama door een samenloop van omstandigheden zes van de zeven leden van het Fed-bestuur kan benoemen in zijn eerste termijn én hij altijd een monetaire ‘duif’ benoemt, is de politieke onafhankelijkheid van niet alleen de voorzitter, maar het hele Fed-bestuur ver te zoeken. Daar komt nog bij dat het Fed-bestuur de presidenten van de 12 regionale centrale banken in de VS moet goedkeuren. Elk jaar hebben 5 van die 12 ook stemrecht als het over rentezaken gaat. De kans is groot dat een met ‘duiven’ gevulde Fed-bestuur geen ‘haviken’ zal dulden als presidenten van de regionale centrale banken.

‘Duiven’ onder de centrale bankiers hechten minder zwaar aan het bestrijden van inflatie en geven de voorrang aan het stimuleren van de economie op de korte termijn. De ‘haviken’ onder de centrale bankiers geven juist aan het bestrijden van de inflatie de hoogste prioriteit.

Wat zich nu ontvouwt is het nachtmerriescenario van de jaren zeventig van de vorige eeuw, waarvan de Fed op dit moment niet ver meer verwijderd is. De prijs van het verlies van onafhankelijkheid zal niet alleen een veel hogere verwachte inflatie zijn, maar ook veel hogere nominale rentevoeten, met alle gevolgen van dien voor de economische groei en werkgelegenheid op lange termijn. Deze hoge inflatie en hoge nominale rentevoeten kunnen alleen worden teruggedrongen door een kostbaar en pijnlijk proces van desinflatie, met een lage economische groei en een hoge werkloosheid tot gevolg.

Tot nu toe was de Fed op zijn minst onafhankelijk binnen de regering. Onder Bernanke is de onafhankelijke positie van de Fed zwaar beschadigd. Zelfs ‘binnen de regering’ bestaat die onafhankelijkheid inmiddels niet meer.

– Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic
Zie Het Financieele Dagblad van 29 oktober 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *