Grenzen Europese spankracht in zicht

Mondiale steun voor euro hard nodig

(FD essay) – Het oplossen van de eurocrisis gaat nog jaren duren. In de tussentijd moeten de sterke eurolanden de zwakke landen ondersteunen. Maar deze zijn nu zelf aan het einde van hun mogelijkheden gekomen. Lees ook ‘Eurotop laatste kans voor regeringsleiders’ (DFT).

De eurocrisis duurt nu al bijna twee jaar. In die tijd is de crisis, ondanks talloze maatregelen, sterk geëscaleerd. Die maatregelen, waaronder het oprichten van de European Financial Stability Facility (EFSF), waren door de sterke eurolanden nog vrij gemakkelijk te nemen. Het ging om betrekkelijk beperkte bedragen, de schuldenpositie van de sterke eurolanden was relatief goed, de problemen betroffen kleine eurolanden en de economieën in de sterke eurolanden groeiden begin dit jaar nog als kool. Nu loopt de eurozone echter tegen de grenzen van zijn mogelijkheden aan. De sterke eurolanden, de landen met een Triple A-rating, namelijk Duitsland, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk, zijn alleen nog maar sterk als ze vergeleken worden met Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje (de zogenoemde PIIGS).

Maar in absolute termen is de positie van deze sterke landen verzwakt. Frankrijk kan zijn Triple A-rating verliezen als zijn banken in de problemen komen, Moody’s waarschuwde daar de afgelopen week al voor. Dankzij empirisch onderzoek van de Amerikaanse economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff en onderzoekers bij de Bank voor Internationale Betalingen, weten we dat de kritieke schuldengrens voor de overheden, consument en bedrijfsleven tussen 80 en 100% van het bruto binnenlands product (bbp) ligt. Hogere schulden remmen de economische groei af waardoor schulden verder stijgen en onhoudbaar kunnen worden. Daarmee hebben we een maatstaf om de sterke eurolanden aan een stresstest te onderwerpen.
Dit is van cruciaal belang omdat het redden van de euro een lang durende operatie zal zijn. Die operatie heeft alleen kans van slagen als de relatief sterke landen de zwakke landen met behulp van noodleningen en garanties voor een lange tijd kunnen behoeden voor een faillissement.

Toen de financiële crisis drie jaar geleden losbrak, lagen de staatsschulden in de sterke eurolanden veel lager dan de kritieke grens. Duitsland scoorde het slechtst van de sterke eurolanden, met een staatsschuldquote van 65%. Inmiddels liggen de schulden door de redding van banken, door de noodleningen aan zwakke eurolanden en door de structureel lage groei, een stuk hoger. De twee zwaargewichten uit de groep van de sterke eurolanden, Duitsland en Frankrijk, hikken tegen 90%-grens aan of zijn er zelfs al overheen. Ook de schulden van de consumenten en bedrijven hebben in die landen de cruciale grens reeds gepasseerd of naderen die grens snel. Daarnaast zijn de vooruitzichten niet bepaald rooskleurig.

De ergste economische crisis sinds de Grote Depressie heeft langdurige schade aangericht aan de economische motoren in Europa. Gecombineerd met het feit dat een groot deel van economische groei voorafgaande aan de crisis voortkwam uit schuldenopbouw en dat die schulden nu juist afgelost moeten worden, betekent dit dat de economische groei in de komende jaren veel lager zijn dan de percentages waarmee verschillende overheden nu rekenen als ze ramingen maken voor begrotingstekorten en staatsschulden. Zowel de geraamde belastinginkomsten als de overheidsuitgaven gaan dus tegenvallen, met hoger dan verwachte begrotingstekorten en staatsschulden tot gevolg.

Daarbovenop komt dan nog eens het effect van de vergrijzing op overheidsfinanciën. Schattingen van onder meer de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB), wijzen erop dat de begrotingstekorten bij ongewijzigd beleid met enkele procentpunten van het bbp zullen stijgen. Het mag duidelijk zijn dat de speelruimte van de sterke eurolanden om met hogere garanties en leningen de eurocrisis te bestrijden, uiterst beperkt is.

Europa kan nog wel iets doen door de gelden uit de Europese structuurfondsen naar voren te halen (tot en met 2015 zou dit ongeveer 150 miljard euro opleveren) en daarmee het Europese noodfonds te vergroten. Daarnaast zou het EFSF ook via de Europese Investeringsbank kunnen worden verhoogd. Deze bank, die eigendom is van de EU, heeft een zodanig hoge solvabiliteitsratio dat zij tientallen miljarden euro kan bijdragen zonder haar Triple A-rating in gevaar te brengen.
Deze beide maatregelen zouden geen gevolgen hebben voor de kredietbeoordeling van de sterke eurolanden. Want het naar voren halen van de structuurfondsen behelst geen extra geld of garanties. De lasten voor de lidstaten in de periode na 2012 dalen namelijk even hard. Voldoende zal het echter niet zijn.

Europa moet daarom de rest van de wereld duidelijk maken dat de euro weliswaar onze munt is, maar dat de huidige crisis ook een probleem is voor de rest van de wereld. Tegelijkertijd moet Europa de rest van de wereld ervan overtuigen dat geld dat beschikbaar wordt gesteld om de euro te redden niet verdwijnt in een bodemloze put.
Dit betekent dat Europa haar eigen regels radicaal moet herschrijven en duidelijk moet maken bij wie de regie ligt. Het moet mogelijk worden zwakke landen te dwingen om begrotingsmaatregelen te nemen en structurele hervormingen door te voeren. Aan de tijd dat de Europese regeringsleiders afgaan op elkaars mooie blauwe ogen moet een einde komen.
Het eerste deel, China en andere opkomende landen duidelijk maken dat de eurocrisis ook hun probleem is, zal niet moeilijk zijn. De feiten spreken langzaam maar zeker voor zich. De economische groei in de VS en opkomende landen vertraagt door de onzekerheden die voortvloeien uit de eurocrisis. Afgaande op de recente geluiden uit Japan, China, Rusland en Brazilië, zijn deze landen zich bewust dat ze Europa moeten helpen, in hun eigen belang. Zij zijn ook bereid dat te doen, bijvoorbeeld via versterking van de financiële slagkracht van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

Uiteraard willen die landen er iets voor terug, zoals meer zeggenschap bij het IMF. En de harde toezegging van Europa dat structurele economische hervormingen die de groei op middellange termijn aanjagen, er ook komen. Dat is geen chantage van de opkomende landen, want gezien hun sterk toegenomen gewicht in de wereldeconomie had hun invloed binnen het IMF al veel eerder moeten worden vergroot.
Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de VS. De Amerikanen waren er als de kippen bij om de plannen te torpederen om de oorlogskas van het IMF te vergroten. Zij zijn bang dat daarmee hun invloed zal afnemen ten gunste van landen als China. Maar dat is een onvermijdelijk gevolg van de veranderde machtsverhoudingen. Op de komende G-20 top in november moeten Europa en de rest van de wereld de Amerikanen daarom onder druk zetten en dwingen deze feiten onder ogen te zien. Dat is lastig, maar niet onmogelijk, zeker als Europa en opkomende landen één front vormen.

Veel lastiger zal het zijn om het economisch bestuur van Europa radicaal te herzien. Dat betekent immers dat allerlei heilige huisjes omver zullen moeten, waaronder het te allen tijde hebben van stemrecht, het een-land-een-stem-principe, de unanimiteit bij heel veel besluiten en de onvoorwaardelijke geldstromen uit hoofde van allerlei hulpprogramma’s van de EU.
Maar dat is de prijs die Europa moet betalen, niet alleen om hulp van anderen veilig te stellen, maar ook om ervoor te zorgen dat de Europese integratie niet verwordt tot desintegratie. Niemand weet precies hoe hoog de kosten daarvan zijn, maar het is duidelijk dat ze een veelvoud zijn van de kosten die gemoeid zijn met structurele hervormingen op economisch en politiek gebied.

De eurocrisis is de afgelopen twee jaar alleen maar ernstiger geworden. Europa is niet meer in staat de crisis op te lossen. Als Europa faalt, komt de rest van de wereld er niet ongeschonden vanaf. Alleen door mondiale samenwerking kan de eurocrisis worden bezworen en een nieuwe depressie worden voorkomen.

Sylvester Eijffinger is hoogleraar financiële economie aan de Universiteit van Tilburg en lid van het Monetaire Experts Panel van het Europese Parlement. Edin Mujagic is monetair econoom en promovendus aan de Universiteit van Tilburg.

(Lees hieronder meer artikelen over de crisis in de eurozone).

Dit bericht is geplaatst in EU, euro, Europese Commissie, FD Essays, internationale economie, kredietcrisis. Bookmark de permalink.