Eurozone kan niet zonder eigen minister van financiën

Waar blijft de Europese Alexander Hamilton?

(Mijn FD Essay, zojuist gepubliceerd)

De Europese Centrale Bank (ECB) krijgt al geruime tijd stevige kritiek van niet alleen bankiers en economen, maar ook van burgers en politici. Dat is nieuw, want in het recente verleden werd alles wat de ECB deed steeds met gejuich ontvangen. Beleggers zien nu het rendement op hun vastrentende beleggingen wegsmelten. Zij wijken uit naar aandelenbeleggingen, maar die zijn nog duurder en riskanter geworden dan ze al waren vanwege de toegenomen onzekerheid over de financiële en economische stabiliteit.

De extreem lage rente weerhoudt eurolanden met hoge tekorten en schulden er van de broodnodige hervormingen van hun economieën door te voeren. Het is cruciaal dat de Europese beleidsmakers en politici zich gaan realiseren dat de huidige Europese monetaire unie (EMU) zeer instabiel is en dat zij, als er niets verandert, op lange termijn niet houdbaar zal zijn. De eurozone moet een sprong voorwaarts maken. Doet zij dat niet dan is een geleidelijke erosie van de monetaire unie onafwendbaar.

Er is een overdracht van de nationale soevereiniteit naar het Europese niveau nodig, ook als dat streven door sommigen niet realistisch of zelfs naïef wordt genoemd. De voormalige ECB-president Jean-Claude Trichet heeft er vele malen op gewezen dat een monetaire unie niet zonder een begrotingsunie kan functioneren. Het introduceren van een Europese minister van Financiën is daarvan de logische consequentie.

Er zal een Europese Alexander Hamilton (van 1789 tot 1795 de eerste minister van Financiën van de Amerikaanse federatie) nodig zal zijn om de sprong naar een begrotingsunie te kunnen maken. Het gaat daarbij om niet alleen om het gemeenschappelijk maken van bestaande en nieuwe overheidsschuld, al dan niet in de vorm van eurobonds. Het gaat ook om het opleggen van stringente voorwaarden aan het nationale begrotingsbeleid van de eurolanden. Strenge gehandhaafde ‘balanced budget rules’ voor de nationale overheden zijn onmisbaar.

Het opzetten van een Europese begrotingsunie is op lange termijn de enige structurele oplossing voor de huidige problemen. Het Stabiliteits- en Groei Pact aangevuld met de zogenoemde ‘Six Pack’-bevoegdheden zijn slechts een ‘second best’ oplossing. In de huidige opzet zal de eurogroep van crisis naar crisis blijven laveren. De keuze van het Verenigd Koninkrijk voor een Brexit en de Italiaanse bankencrisis tonen aan dat er maar weinig nodig is om de spanningen binnen de eurogroep weer te laten oplopen.

Daarom zou het buitengewoon verstandig zijn om nu alvast een informeel presidium op te richten, waarin de eurogroep, de ECB en de Europese Commissie veel nauwer samenwerken. De taak van dit presidium zou zijn om via deze nauwere samenwerking een goed gecoördineerd beleid van stimuleringsmaatregelen en structurele hervormingen tot stand te brengen.
In dit presidium zouden de Duitse en Franse ministers van financiën een hoofdrol moeten spelen, terwijl er ook een permanente plaats kan worden ingeruimd voor de president en vice-president van de ECB en de voorzitter en één vice-voorzitter van de Europese Commissie.

Als de politieke geesten daar rijp voor zijn, zal dit informele presidium kunnen leiden tot de introductie van een Europese minister van Financiën. De geschiedenis heeft aangetoond dat het Europees Monetair Stelsel met zijn vaste, maar bij al te grote spanningen aanpasbare wisselkoersen ook een noodzakelijk fase was die vooraf ging aan de vorming van de EMU. Europese beleidsmakers en politici konden toen ervaring opdoen met het coördineren van hun stimulerings- en structurele hervormingsmaatregelen.

Het Europese integratieproces heeft aangetoond altijd een crisis nodig te hebben – liefst niet te groot maar ook weer niet te klein – om de volgende sprong voorwaarts te maken. Dat geldt ook voor een Europese begrotingsunie. Europa heeft dringend behoefde aan een Europese Alexander Hamilton, de anti-Europese sentimenten in veel lidstaten doen daar niets aan af.