DNB-president moet bij uitstek onafhankelijk zijn

Profiel DNB-president simpel
Het langverwachte plan van de Nederlandsche Bank (DNB) voor veranderingen binnen de centrale bank is klaar. Een van de veranderingen is dat de president van DNB voortaan maximaal twee termijnen van zeven jaar mag zitten. Het directe gevolg daarvan is dat de zittende president, Nout Wellink, volgend jaar de centrale bank moet verlaten vanwege het volmaken van zijn twee wettelijke termijnen.

Vrijwel meteen is de discussie losgebarsten over de eisen waaraan zijn opvolger moet voldoen. Volgens velen moet er een profielschets komen voor de functie van Wellink. Zo wordt door sommigen voorgesteld dat er iemand aan het roer moet komen die verstand heeft van verandermanagement, alsof DNB een gewoon bedrijf zou zijn.

Kennis van toezicht op financiële instellingen zou ook onontbeerlijk zijn. Beide eisen zouden cruciaal zijn om de structuur van DNB om te toveren, iets wat de toekomstige president moet doen. De benoeming mag in geen geval een politieke benoeming zijn. Met dat laatste zijn we het eens. De overige eisen missen volledig het doel.

De Nederlandsche Bank is juridisch gezien een naamloze vennootschap, maar daar houden de overeenkomsten met een gewoon bedrijf dan ook op. Het is namelijk ook nog een Europeesrechtelijke instelling, alsmede (voor een deel) een zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Haar taken zijn voorts publieke taken.

Op zoek gaan naar de nieuwe president kan en mag dan ook niet plaatsvinden op de manier waarop een gewoon bedrijf een nieuwe chief executive officer zoekt. Hoe moet het functieprofiel voor de toekomstige president van de Nederlandsche Bank er dan wel uitzien?

De fout die ten grondslag ligt aan de genoemde voorstellen is dat het uitgangspunt volledig verkeerd is. Zo wordt de president van DNB gelijkgesteld aan de centrale bank. Dat gaat volledig voorbij aan het feit dat DNB geleid wordt door een collegiaal bestuur – ‘de directie’, in de bewoordingen van de wet – en niet door één man of vrouw.

Voor het micro-prudentieel toezicht op banken is in eerste instantie één van de directeuren verantwoordelijk. Andere directeuren hebben afdelingen economisch beleid en onderzoek, financiële stabiliteit en financiële markten, betalingsverkeer en statistiek, respectievelijk toezicht op pensioenfondsen en verzekeraars onder hun hoede. Wat van belang is, is dat geen enkele afdeling direct onder de president valt.

De opvolger van Wellink hoeft dus geen expert te zijn op al die specifieke gebieden, daar heeft de president de directie van DNB-directeuren voor. Toekomstige bankpresidenten moesten in het verleden altijd wel experts zijn op het gebied van monetaire economie en macro-economie, omdat de centrale bank over rente gaat. Daarbij moeten ze dat thans ook zijn op het gebied van de financiële stabiliteit.

Met de komst van de euro en de Europese Centrale Bank (ECB) is het gewicht van die eis binnen het functieprofiel van president van de Nederlandsche Bank nog veel zwaarder geworden. Met de oprichting van de ECB heeft de president van DNB – als lid van de raad van bestuur van deze Europese instelling – een stem bij het nemen van rentebesluiten. Voorheen volgde DNB altijd de besluiten van de Deutsche Bundesbank, de Duitse centrale bank, zonder daarbij iets in te brengen te hebben.

Voorts is de DNB-president lid van de Board van de Bank for International Settlements (BIS), de centrale bank van de centrale banken. Daarom zijn er maar twee eisen die moeten prijken op de profielschets voor de opvolger van Wellink. Twee, omdat zoals reeds gesteld, DNB geen gewoon bedrijf is maar een centrale bank. En sinds de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw weten we dat de samenleving het beste af is met een onafhankelijke centrale bank, in de zin dat politici geen kans krijgen aan de renteknoppen te zitten.

Behalve dat ze vooral personen moeten zijn die behoorlijk thuis zijn in de monetaire en de macro-economie, moeten toekomstige presidenten in staat zijn zich in het landsbelang onafhankelijk op te stellen tegenover politici. Een onafhankelijke president moet nee tegen de politiek kunnen zeggen. Dat sluit ex-politici pur sang uit.

Welk soort mensen voldoet dan wel? Gepromoveerde academici op het gebied van monetaire en macro-economie. Dat zou geen trendbreuk met het verleden zijn, maar juist een continuering ervan. Jelle Zijlstra en Wim Duisenberg waren weliswaar minister van Financiën, maar voordat ze die post bekleedden, waren het academische economen. Zijlstra noemde zichzelf altijd een ‘homo economicus’. Wellink is ook een academicus.

Dat zij allemaal DNB-presidenten zijn (geweest) heeft een reden. Ze waarborgden de onafhankelijkheid van de president en bezorgden daarmee de onafhankelijkheid van DNB van de politiek.

– Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic
Zie Het Financieele Dagblad van 25 augustus 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *