Crisis eurozone vereist betere economic governance

(FD essay van vandaag, door Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic).

Het is te begrijpen dat de eurolanden de schuldencrisis aanvankelijk niet daadkrachtig hebben aangepakt. Landen hebben verschillende belangen, er zijn altijd wel ergens verkiezingen in aantocht en sommige politici hopen dat de centrale bank het vuile werk wel zal opknappen.

Maar het is niet goed te praten dat de eurolanden bijna vier jaar na het begin van de financiële crisis nog steeds zonder strategie zitten waarmee zij de ongekend ernstige problemen te lijf kunnen gaan. Ook is het niet goed te praten dat de Europese leiders elkaar pas eind juni weer treffen, terwijl de crisis ook na de kapitaalinjectie voor de Spaanse banken al op korte termijn een climax lijkt te bereiken.

Twee jaar na het uitbreken van de Europese schuldencrisis is het voortbestaan van de euro minder zeker dan ooit. De komende weken en maanden zullen cruciaal zijn.

Achter de schermen is er de laatste weken wel een en ander gaande. Duitsland lijkt met een plan te komen. Tegelijkertijd werkt het viertal Mario Draghi (president Europese Centrale Bank), Jose Manuel Barroso (voorzitter Europese Commissie), Herman van Rompuy (president Europese Unie) en Jean-Claude Juncker (voorzitter Eurogroep) ‘in het geheim’ aan hun eigen plan.

Deze gang van zaken illustreert het probleem waarmee Europa kampt. Terwijl het huis dreigt op te gaan in vlammen smeden de bewoners onafhankelijk van elkaar plannen. Het is onvermijdelijk dat ze vervolgens toch weer om tafel moeten om met een breed gedragen aanpak te komen.

Nederland is bij het ontwikkelen van geen van deze strategieën betrokken. Als het kabinet al een strategie heeft met betrekking tot de eurocrisis, dan slaagt het er uitstekend in om die verborgen te houden.

Het is bizar dat de overgebleven drie grote Triple-A eurolanden – Nederland, Duitsland en Finland – geen gezamenlijke plan van aanpak hebben of eraan werken. De twee kleinste landen uit die groep zijn bij de plannen die gesmeed worden, niet eens betrokken, terwijl het hun Triple A status is die als onderpand moet dienen in elk plan om de euro te redden.

Het is nog niet te laat voor Den Haag om initiatief te nemen. Maar het heeft dan wel een eigen masterplan nodig, een ‘Triple-A-strategie’ om aan te geven hoe de eurozone op lange termijn overeind kan blijven. Die strategie moet uit een aantal elementen bestaan.

Allereerst moet het Europese noodfonds (EFSF/ESM) opgehoogd worden. Daarnaast moeten de Europese structuurfondsen snel aangewend worden, waarbij de Europese Investeringsbank een coördinerende rol moet spelen om de groei in Griekenland, Italië, Portugal en Spanje te stimuleren.

Vervolgens moet er, zoals door ECB-president Draghi is voorgesteld, een bankenunie komen met een centraal, Europees toezicht op in ieder geval grote banken. Samenwerking, coördinatie en ‘memorandums of understanding’ tussen de nationale toezichthouders hebben een faire kans gehad. Zij blijken in de praktijk niet te werken.

Nu we dat weten is er maar één alternatief: de nationale soevereiniteit op dat gebied overdragen aan Europa. In dit kader moeten de nationale depositogarantiestelsels plaats maken voor één depositogarantiestelsel binnen de eurozone. Zo voorkomt men een bankrun in de zwakke eurolanden en kapitaalvlucht naar de sterke eurolanden. Deze kapitaalvlucht, of de angst daarvoor, is namelijk destabiliserend voor de hele muntunie.

Ten slotte moeten de eurolanden gezamenlijke staatsobligaties uitgeven, ze zogenoemde eurobonds. Invoering van eurobonds komt neer op het (gehele of gedeeltelijke) gemeenschappelijk maken van de staatsschuld van de individuele landen. Daarom dient deze fiscale unie gepaard te gaan met de oprichting van een Europees ministerie van Financiën en een Europees agentschap dat verantwoordelijk wordt voor de uitgifte van deze eurobonds.

Daarnaast is het van cruciaal belang om het taboe op uittreding uit de muntunie, te doorbreken. Dit taboe zorgt constant voor (dreiging van) onzekerheid en chaos. Het zou daarom goed zijn door ex ante vast te leggen wanneer en op basis van welke objectieve criteria een euroland de muntunie moet verlaten en hoe dat proces van uit elkaar gaan, zal verlopen.

Dit maakt de muntunie symmetrisch, waar die nu asymmetrisch is. In de praktijk is het nu zo is dat een land slechts bij toetreding tot de euro moet voldoen aan alle eisen die daarvoor gelden. Eenmaal in de unie kan het land volgens de huidige verdragen niet uitgezet worden en ontbreekt dus de ultieme sanctie als een land zich niet aan de regels houdt.

Deze no-exit clausule blijkt net zo ongeloofwaardig te zijn als de no-bailout clausule in het Verdrag van Maastricht. In een symmetrische muntunie moeten alle leden zich blijven houden aan de regels, op straffe van uitzetting. Deze stok achter de deur zorgt ervoor dat het zich houden aan de Europese spelregels geïnternaliseerd wordt in nationaal beleid.

De exitclausule maakt alle eurolanden duidelijk dat het grote gevolgen heeft als zij niet of onvoldoende meewerken aan de gezamenlijke afspraken of zich niet aan de spelregels houden, Een ander groot voordeel is dat de financiële markten met duidelijk geformuleerde exit-condities weten waar ze aan toe zijn. De kans dat er chaos ontstaat bij (dreigende) uittreding van één of meer landen neemt daarmee sterk af. De schade voor de eurolanden die zich wél aan de regels houden, wordt geminimaliseerd.

In het verlengde hiervan is een tijdslimiet nodig voor het aannemen van de ‘Triple A masterplan’. Die limiet moet voorkomen dat bepaalde landen het proces blijven traineren. Het moet mogelijk zijn om dit masterplan voor eind 2012 aan te nemen en begin 2013 te beginnen met de uitvoering ervan.

Door het introduceren van een exitclausule zijn de toetreding tot en de uittreding uit de eurozone symmetrisch geworden en wordt het Verdrag van Maastricht niet alleen gecorrigeerd, maar ook gecomplementeerd met een bankenunie, een fiscale unie en een economisch bestuur uitmondend in een Europese minister van Financiën.

Een plan langs deze lijnen zou getuigen van de bereidheid om grote offers te brengen voor het behoud van de euro, terwijl het de zwakke eurolanden duidelijk zou maken dat er een grens is aan de bereidheid van de sterke eurolanden om hen te hulp te schieten.

Het eindresultaat zal zijn dat er op termijn een muntunie overblijft die bestaat uit landen die zich aan te spelregels kunnen en willen houden. Voor landen die dat niet willen of kunnen is geen plaats meer. De consequentie van deze route is wel dat er daadwerkelijk een Europa van twee snelheden ontstaat en dat de eurolanden een kern binnen de Europese Unie gaan vormen.

Een dergelijk masterplan zou niet alleen het vertrouwen van de financiële markten in de Europese munt terugbrengen maar ook stabiele niet-eurolanden als Polen, Denemarken en Zweden ervan kunnen overtuigen dat toetreding tot de eurozone grote voordelen biedt.

Een toekomstige Europese munt, op een geleidelijke en ordelijke wijze ontdaan van zwakke schakels en versterkt door sterke schakels zoals de drie genoemde niet-eurolanden, is in het belang van Europa en komt de stabiliteit van de wereldeconomie ten goede. Maar Europa zal het zelf moeten doen, ook al zijn de meningsverschillen op dit moment nog zo groot. Van Den Haag mag verwacht worden dat het zich juist nu actief inzet om die meningsverschillen te helpen overbruggen.

Sylvester Eijffinger is hoogleraar financiële economie aan de Universiteit van Tilburg.
Edin Mujagic is verbonden aan de Universiteit van Tilburg en Oranje Lelie Consultancybureau.

Dit bericht is geplaatst in Edin Mujagic, EU, euro, FD Essays, internationale economie, kredietcrisis. Bookmark de permalink.