Commissie-De Wit wordt dure en onnodige exercitie

Ruim een half jaar geleden stelde de Tweede Kamer de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel in onder voorzitterschap van het kamerlid Jan de Wit (SP) en bestaande uit acht, financieel niet-deskundige leden uit de verschillende kamerfracties. De onderzoekscommissie-De Wit kreeg twee opdrachten van de Kamer mee: onderzoek wat de crisis heeft veroorzaakt en hoe de regering de crisis heeft aangepakt. Het blijkt een onmogelijke opdracht.

Voor de eerste fase zou de commissie zelf onderzoek doen, besloten gesprekken voeren, openbare verhoren met betrokkenen houden en in februari de eerste rapportage doen. De tweede fase spitst zich toe op de crisismaatregelen van de regering en de rol van de Kamer daarbij, waarbij het eindrapport voor september dit jaar was voorzien.

Afgezien van de vraag of de planning werkelijk gehaald zal worden, kan men zich de vraag stellen of de totale begrote kosten voor dit parlementair onderzoek van ruim € 1,5 mln wel een doelmatige besteding van belastinggeld is, terwijl er al boekenkasten over de crisis volgeschreven zijn. Men zou zo’n onderzoek wellicht kunnen rechtvaardigen op basis van de parlementaire waarheidsvinding en het maatschappelijk verwerkingsproces.

Nu de eerste fase van het onderzoek bijna afgerond is, wordt het tijd om een voorlopige tussenbalans op te maken. Het blijkt een mission impossible, een onmogelijke opdracht voor de financieel niet-deskundige commissieleden, die geen gebruik konden maken van het parlementair enquêterecht waarover de Kamer beschikt.

Je kunt niet van nul af beginnen bij zulke gecompliceerde dossiers en een fundamenteel tekort aan bancaire, economische en financiële kennis niet in een paar maanden bijspijkeren om besloten gesprekken en openbare verhoren op een doeltreffende wijze te voeren. De Kamer had beter kunnen opteren voor een parlementaire enquêtecommissie van financiële fractiewoordvoerders met het recht om betrokkenen onder ede te horen.

Vanaf de eerste verhoren werd het duidelijk dat de commissie-De Wit haar pijlen zou richten op de toezichthouders, vooral op de president van de Nederlandsche Bank (DNB). Barbertje moest hangen. De openbare verhoren waren bedoeld om de besloten voorgesprekken ‘wit te wassen’ voor media en publiek.

Het was een slaapverwekkende afwerking van vooraf opgestelde vragenlijstjes, waarvan nauwelijks afgeweken werd en die vooral niet de bedoeling hadden om te ontaarden in een werkelijke dialoog of discussie met de ondervraagden.

Misschien heeft dit te maken met het gebrek aan inzicht en kennis bij de commissieleden zelf en hun angst om publiekelijk uitglijders te maken. Zo konden opgeroepen deskundigen zonder enige tegenspraak van de commissie hun verhaal houden, ook al was dat verhaal doorspekt van aperte fouten en onjuistheden.

Een voorbeeld waren de gesprekken met de directeur van het Centraal Planbureau en de voormalig secretaris-generaal van Economische Zaken — beiden aan de dezelfde universiteit verbonden — die elkaar tegenspraken over de oorzaken van de crisis. Sommige betrokken bankiers konden de eigen verantwoordelijkheid bij de crisis zonder weerwoord van zich afschuiven onder het mom van ‘dat was na mijn tijd’. Ook de ondervraagde accountants ontkenden hun verantwoordelijkheid, omdat zij ‘alleen de jaarrekening goedkeurden’, en legden de schuldvraag handig bij de toezichthouder.

Na twee weken van ondervraging van deskundigen en betrokkenen, kwamen in de derde week de (oud-)toezichthouders van DNB en de minister van Financiën aan de beurt, die vanzelfsprekend gehinderd werden door hun wettelijke geheimhoudingsplicht en daardoor niet op alle eerdere beschuldigingen en vragen antwoord konden geven.

Hier wreekt zich naast het gebrek aan inzicht en kennis een tweede tekortkoming bij de beide opdrachten voor de commissie-De Wit in die zin dat deze slechts een onderzoekscommissie zonder enquêterecht is.

Daardoor konden sommige ondervraagden in de eerste twee weken van de verhoren te gemakkelijk hun betrokkenheid en verantwoordelijkheid ontkennen, maar konden de ondervraagde toezichthouders in de derde week niet ontheven worden van hun wettelijke geheimhoudingsplicht en naar eer en geweten antwoord geven op eerdere beschuldigingen en vragen.

Mijn conclusie bij het opmaken van de tussenbalans is dan ook dat de commissie-De Wit niet in staat is gebleken om bij te dragen aan de parlementaire waarheidsvinding en het maatschappelijk verwerkingsproces. Men zou zelfs kunnen opmerken dat De Wit cum suis het tegendeel van wat zij beoogden hebben bereikt. Het bleek een onmogelijke opdracht voor een commissie van financieel niet-deskundigen, die geen gebruik konden of wilden maken van het parlementair enquêterecht.

Daardoor is de eerste fase van het onderzoek naar de oorzaken van de crisis ontaard in een dure en onnodige exercitie van verhoren, die oms gênante en beschamende vertoningen hebben opgeleverd waarop niemand zat te wachten.

Wij mogen hopen dat de onderzoekscommissie zich dit falen aantrekt, opdat de tweede fase van haar onderzoek naar de aanpak van de crisis door de regering beter zal verlopen.

– Sylvester Eijffinger
Zie Het Financieele Dagblad van 6 februari 2010

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *